|
|
De geschiedenis van het Westland loopt terug tot het jaar 10.000 voor Chr., omdat we van vòòr die tijd (door grote veranderingen in verschillende opzichten) weinig meer voor kunnen stellen.
Tijdens de laatste ijstijd trokken er, in het wat tegenwoordig Nederland is, nomaden rond die leefden van de jacht en het verzamelen van vruchten. Zo rond het jaar 8000 voor Chr. steeg de temperatuur weer, waardoor de ijsmassa's begonnen te smelten. De hiermee gepaard gaande stijging van de zeespiegel bracht een grote verandering van het landschap met zich mee. Hierdoor ontstond de Noordzee en langs de aangrenzende kust ontstonden zandwallen, waarachter zich een gorzenlandschap zich begon te ontwikkelen. Na verloop van tijd ontstond hier een situatie, die permanente bewoning mogelijk maakte. De oudste bewoningssporen die in het Westland zijn aangetroffen dateren uit het jaar 3700 voor Chr. In het dorp Wateringen zijn in het tracé‚ van de randweg (tussen de Heulweg en de Bovendijk) vuurstenen werktuigen, pijlpunten, aardewerk en paalsporen van een huisje gevonden uit de Late Steentijd. Ook in het duingebied bij de plaats Monster zijn bewoningssporen uit de Steentijd gevonden, maar die dateren pas vanaf ongeveer 2200 voor Chr.
Er is veel materiaal gevonden in het duingebied 'het Geestje' bij het dorp Monster. Dat duingebied is in het begin van de jaren zestig afgegraven ten behoeve van de tuinbouw. Hier is aardewerk uit de klokbekercultuur gevonden. Op het Geestje kon in verschillende opeenvolgende bewoningslagen een voortdurende bewoning aangetoond worden, die liep van de late Steentijd, via Bronstijd, IJzertijd en Romeinse tijd naar de vroege Middeleeuwen.
|
|
Nog voor het begin van de jaartelling verschenen de Romeinen in ons land. Hiermee eindigt de prehistorie, omdat in deze periode de eerste geschreven bronnen over ons gebied en zijn bewoners verschijnen. Die bronnen zijn echter zeer schaars en beperken zich tot wat teksten in verslagen van Romeinse veldtochten en in de kronieken van de Romeinse geschiedschrijvers. Daarnaast zijn er voorwerpen met inscripties uit de Romeinse tijd gevonden, die iets over het gebied en de bewoners vertellen. In het dorp Monster, het aangrenzend aan het Westland gelegen Rijswijk en in door Den Haag geannexeerde Wateringse Veld zijn Romeinse mijlpalen gevonden en in het dorp Poeldijk een militair diploma, de zogenaamde bronzen brief.
De noordelijke grens van het Romeinse Rijk werd gevormd door de rivier de Rijn. Op regelmatige afstand bouwden de Romeinen langs de Rijn legerplaatsen en wachtposten. Door de aanwezigheid van deze grensversterkingen maakte ons gebied een grote economische opleving door. De Romeinse troepen moesten namelijk voorzien worden van voedsel. De landbouw en veeteelt kwamen hierdoor tot ontwikkeling, wat weer tot een grotere welvaart voor de bevolking leidde. De grote hoeveelheid archeologische vondsten uit deze periode is een bewijs van de economische bloei. Vooral op de noordelijke en zuidelijke oeverwal van de rivier de Gantel en in het duingebied zijn veel bewoningssporen aangetroffen. In de plaats Naaldwijk bevond zich op de Hoogwerf een nederzetting, waar overblijfselen van een groot aantal houten woningen zijn gevonden. Op de noordelijke oeverwal van de Gantel, in Poeldijk, werden de funderingen van een stenen huis, een zogenaamde Romeinse villa blootgelegd.
|
|
Wanneer de Romeinen zich weggetrokken hadden uit Nederland ontstaat er een wat onduidelijke situatie. De geschreven bronnen uit deze periode zijn niet overgeleverd. Ook de archeologische sporen uit deze tijd zijn zeer gering. In vergelijking met de vondsten die bekend zijn uit de Romeinse tijd lijkt het wel of het gebied ontvolkt raakt. In het dorp Naaldwijk is, aan de hand van schervenmateriaal uit de nederzetting op de Hoogwerf, ook in de 4e en 5e eeuw nog bewoning aangetoond. Op 'de Geest' in Naaldwijk is aardewerk uit de 6e en 7e eeuw gevonden. En in de duinen bij het dorp Monster is een gedeelte van een crematiegrafveld gevonden, waarbij de vondsten te dateren zijn van de 6e tot en met de 8e eeuw. Dit zijn dan vindplaatsen, die waarschijnlijk overblijfselen van een nederzetting of dorpje zijn. Verder zijn in het gehele Westland hier en daar enkele scherven gevonden, die wel aantonen dat in deze periode enige vorm van bewoning heeft plaatsgevonden maar dat deze bewoning niet veel voorstelde.
De eerste geschreven bronnen dateren waarschijnlijk van de 10e eeuw. Er is een goederenlijst bekend van de Sint Maartenskerk uit Utrecht. Deze lijst moet opgesteld zijn tussen 918 en 948. Het oorspronkelijke register is verloren gegaan, maar twee afschriften ervan zijn bewaard gebleven, de ene van omstreeks 1075 en de andere van circa 1170. In deze lijst worden de goederen genoemd die de Sint Maartenskerk voor de Noormannentijd in haar bezit had. Het gaat hier dus om goederen die in het begin van de 9e eeuw waarschijnlijk al bestonden. In de lijst worden de kerk van Holtsele (hiermee wordt vermoedelijk het Westlandse dorp Honselersdijk bedoeld) en de tienden van Maasland (gelegen in het aangrenzende Midden-Delfland) genoemd. De kerk van Holtsele wordt in latere eeuwen niet meer vermeld en is waarschijnlijk verloren gegaan.
Van de kerken van Maasland en Naaldwijk bestaat het vermoeden dat deze vroeger in de Noormannentijd vluchtburchten met een ringwal geweest zijn. Dit vermoeden is gebaseerd op de ronde vorm van de kerkterreinen en de vondst van een oude grachtbedding in het dorp Naaldwijk, die evenwijdig liep aan de kerkring. Op de bodem van deze gracht zijn scherven uit de 9e eeuw aangetroffen. In het nabijgelegen Maasland zou in de loop van het riviertje de Gaag nog een gedeelte van de gracht om de ringwalburcht aanwezig zijn.
|
|
Het Westland is een streek in Zuid-Holland, en is onderdeel van het waterschap het Hoogheemraadschap van Delfland. Aan dit hoogheemraadschap heeft het Westland ook zijn naam te danken, namelijk de westambachten van het Hoogheemraadschap. Die westambachten besloegen een groter gebied dan het huidige Westland, maar in de loop der tijd is de naam beperkt tot de streek die zich ten zuidwesten van Den Haag en Delft bevindt. Na de opkomst van de tuinbouw werd de naam Westland synoniem voor tuinbouwgebied, zodat het dorp Loosduinen en een groot gedeelte van Rijswijk ook tot het Westland gerekend werden. De dorpen Schipluiden en Maasland waren in het begin van deze eeuw nog voornamelijk landbouwgemeenten, waar de veeteelt de belangrijkste bron van inkomsten was. Pas na de Tweede Wereldoorlog is de tuinbouw in deze gemeenten een belangrijke rol gaan spelen. Het dorp Loosduinen is in de twintiger jaren geannexeerd door Den Haag, waarna de meeste tuinbouwbedrijven plaats moesten maken voor woningbouw. De streek Westland wordt thans gevormd door de gemeenten Westland en Midden-Delfland (bestaande uit de kernen Den Hoorn, 't Woudt, Schipluiden en Maasland).
Het Westland in zijn huidige vorm is tot stand gekomen vanaf de 12e eeuw. In deze eeuw hebben verschillende stormvloeden het gebied geteisterd. Grote delen van de streek moesten na deze gebeurtenissen opnieuw ontgonnen worden. De verkaveling van het grondgebied vindt haar oorsprong in deze periode. In de 12e eeuw ontstaan ook de meeste dorpen in de streek. In de eerste eeuwen was de landbouw het belangrijkste middel van bestaan in de streek. Vanaf de 17e eeuw worden er steeds meer percelen geschikt gemaakt voor tuinbouw. Omstreeks 1800 begint de tuinbouw een belangrijke economische factor te spelen. In de twee eeuwen die volgen zal het Westland zich ontwikkelen tot het belangrijkste glastuinbouwgebied ter wereld.
|
|
De oudste kerk in dit gebied is die van Holtsele (vermoedelijk wordt daarme het Westlandse dorp Honselersdijk bedoeld), die in de 10e eeuw al in het goederenregister van de Sint Maartenskerk in Utrecht wordt genoemd. Deze kerk is waarschijnlijk ten tijde van de invallen van de Noormannen verloren gegaan, want van deze naam wordt later niets meer vernomen. Een mogelijke opvolger van de kerk van Holtsele is die van Naaldwijk, die vanouds zelfstandig is.
Het patronaatsrecht berustte bij de adellijke familie Van Naaldwijk, die waarschijnlijk ook de stichtster van de kerk is. De stichtingsdatum is echter niet bekend. De eerste Van Naaldwijk die bekend is uit oude archiefstukken is Unarch, die genoemd wordt in een charter uit 1156. Vanuit de moederkerk in Naaldwijk werd de kerk van Wateringen en de kapellen van Honselersdijk en Heimond bediend.
Een andere oude kerk is die van het dorp Monster, die al in de 13e eeuw een flink aantal dochterkerken onder haar hoede had. De kerk van Monster verleende zielszorg aan de gelovigen in de kuststrook van de Maasmond tot aan het gebied van Wassenaar. Vanuit de moederkerk te Monster zijn de dochterkerken in de stad 's-Gravenzande (en de kapel van 't Nieuwland in Staelduinen), Den Haag en de dorpen Scheveningen, Eik en Duinen, Ter Heijde en Poeldijk gesticht.
De kerk van het dorp Maasland dateert waarschijnlijk uit de vroege Middeleeuwen. De tienden van Maasland worden namelijk al in de 10e eeuw in de goederenlijst van de Sint Maartenskerk genoemd. Het patronaatsrecht van de kerk van Maasland wordt in 1241 door graaf Willem II van Holland aan de Duitse Orde geschonken. De kerken van de dorpen De Lier en Schipluiden en de kapel van Maassluis werden vanuit Maasland bediend.
De kerk van 't Woudt is een 'eenzame' eend in de bijt. De kerk is waarschijnlijk gesticht door Bartholomeus van der Made, rentmeester van graaf Floris V van Holland. Van der Made draagt in 1277 het patronaatsrecht van de kerk over aan de parochianen van 't Woudt.
|
|
Het ontstaan van het Hoogheemraadschap Delfland, waar het Westland deel van uitmaakt, ja zelfs zijn naam aan te danken heeft, namelijk de Westambachten van het Hoogheemraadschap Delfland, heeft alles te maken met de strijd tegen het water.
Door het stijgen van de zeespiegel gedurende de Middeleeuwen boden de bestaande woonplaatsen op terpen en oeverwallen van kreken en riviertjes niet meer voldoende bescherming tegen de zee en de hoge waterstand van de rivieren. Ook omdat men steeds meer laaggelegen en drassig land begon te ontginnen ontstond er vanaf de 11e eeuw behoefte aan dijken.
In de beginperiode waren dit waarschijnlijk tamelijk primitieve vormen van dijken. Nadat er in de 12e eeuw verschillende grote overstromingsrampen hebben plaatsgevonden, begint men de strijd tegen het water‚ en de aanleg van sterkere dijken in een groter verband aan te pakken. De leiding van de waterstaatszorg lag in de 12e eeuw bij de graaf van Holland. Het bleek echter al snel dat die taak zo veelomvattend was, dat het werk gedelegeerd moest worden aan regionale organisaties. Bewoners van verschillende gebieden, die als het ware een natuurlijke waterstaatkundige eenheid vormden, begonnen samen te werken. Dit werk werd gestimuleerd door graaf Floris V, die deze organisaties omvormde tot waterschappen en ze vergaande bestuurlijke macht gaf. In een oorkonde, die waarschijnlijk dateert uit 1289, verleent de graaf aan de heemraden van Delfland het recht en de plicht te schouwen en te keuren.
In de 16e eeuw kreeg het Hoogheemraadschap ook de zorg over het duingebied als zeewering. Vooral in het Delflandse gebied vergden de duinen veel aandacht omdat ze door voortdurende afslag steeds smaller werden. Door allerlei hulpmiddelen trachtte men die afslag zo veel mogelijk tegen te gaan, o.a. door de aanleg van dammen in zee die als golfbreker moesten fungeren, de 'Delflandse Hoofden'. Deze dammen vertraagden de duinafslag wel, maar konden die niet geheel voorkomen. De strook duinen tussen de stad 's-Gravenzande en het dorp Ter Heijde moest daarom zelfs verstevigd worden met een dijk.
|
|
De reformatieperiode begint in de 16e eeuw en kenmerkt zich door grote bestuurlijke veranderingen in de Nederlanden. In de ambtsperiode van Karel V ontstaat er een steeds sterker centraal gezag. Dit levert sociale en economische spanningen op. In deze eeuw ontstaan er ook diverse religieuze hervormingsbewegingen, die streng worden vervolgd door de landsheer. Deze gebeurtenissen ontketenden in de Nederlanden een opstand tegen het centrale gezag van koning Filips II van Spanje. Deze opstand zou de geschiedenis ingaan als de 80-jarige oorlog. Een gedeelte van de Nederlandse gewesten wist zich uiteindelijk onafhankelijk te maken van het centrale gezag van de Spaanse koning. In deze gewesten kreeg het protestantse geloof de overhand. Het protestantisme werd zelfs staatsgodsdienst, waarna de openlijke uitoefening van het katholieke geloof werd verboden. Deze periode noemen we de Reformatie. Als gevolg van deze omwenteling werden geestelijke en kerkelijke bezittingen in de onafhankelijke Nederlanden in beslag genomen door de Staten van de verschillende gewesten. De geestelijke bezittingen werden na verloop van tijd door de Staten van Holland verkocht aan particulieren. De opbrengsten kwamen ten goede aan de staatskas en werden o.a. gebruikt om de oorlog tegen Spanje te financieren.
De katholieken, bleven zo goed en zo kwaad als het ging toch aan hun kerkelijke verplichtingen voldoen. Men kwam in het geheim bij elkaar, meestal op de zolder of in de kelder van een boerderij, waar dan een rondreizende priester de Heilige Mis opdroeg. De boerderijen waar dit gebeurde werden regelmatig voor dit doel gebruikt en werden daarom schuilkerken genoemd. De allereerste priesters die rondtrokken door het Westland kwamen vanuit het nabijgelegen Delft. Later kwamen er ook priesters uit Rijswijk, welke plaats al in 1603 een pastoor kreeg, en Den Haag. Het Westland kreeg pas in 1647 een eigen pastoor, Franciscus Verburch, die in het dorp Poeldijk zijn standplaats kreeg.
Verburch wordt ook wel de 'druivenpastoor' genoemd. Het verhaal gaat, dat hij de druiventeelt in het Westland ingevoerd zou hebben. De kennis hierover zou hij dan op zijn veelvuldige reizen langs de schuilkerken bij de bewoners hebben overgebracht. In zijn standplaats Poeldijk beschikte Verburch over een ruime behuizing met een grote tuin. In archiefbronnen wordt een enkele keer vermeld dat in die tuin, tegen de wind beschermd door muren, fruit gekweekt werd. Er staat echter nergens vermeld dat er druiven gekweekt werden. De grootschalige druiventeelt, eens Westlands trots, dateert pas van de 19e eeuw. Er is dan ook geen bewijs, dat Verburch de druiventeelt in het Westland ingevoerd zou hebben.
|
|
De buitenplaatsen ontstonden in de late 16e eeuw en het begin van de 17e eeuw. Er was een nieuwe klasse van rijke burgers ontstaan. In navolging van de adel, die zijn kasteel op het platteland in de zomer gebruikte om de drukte van de stad te ontvluchten, verschaften rijke burgers zich buiten de stad een 'tweede huis'. De eerste buitenverblijven waren eenvoudige boerderijen, die later werden uitgebreid en verfraaid. Daarnaast werden de geconfisqueerde goederen van geestelijke instellingen en bezittingen van de adel, die trouw gebleven was aan de koning van Spanje, verkocht aan particulieren. Het ging hier meestal om uitgestrekte landgoederen, die uitstekend geschikt waren voor de nieuwe rijken om hun kapitaal te beleggen en deze complexen te transformeren tot een weelderige buitenplaats.
Vooral in de tweede helft van de 17e eeuw wordt er een groot aantal buitenplaatsen aangelegd in het Westland, de meeste aan de rand van de duinen. In het dorp Loosduinen (nu stadsdeel van Den Haag) en de stad 's-Gravenzande bevonden zich naar verhouding veel buitenplaatsen.
De mooiste en grootste buitenplaats bevond zich echter in het dorp Honselersdijk, waar Frederik Hendrik het oude kasteelcomplex van de Heren van Naaldwijk kocht en het liet verbouwen tot een enorm paleis met uitgestrekte tuinen. De buitenplaatsen zijn mogelijk een eerste aanzet geweest tot de ontwikkeling van de tuinbouw in het Westland.
Vrijwel alle buitenplaatsen beschikten over tuinen, waar niet alleen siergewassen maar ook groenten en fruit werden gekweekt. Hiervoor was nogal wat personeel nodig dat gerecruteerd zal zijn uit de naaste omgeving. Van de eigenaar van de buitenplaats Endeldijk, Willem van der Pot, is bekend dat hij een gedeelte van zijn grondbezit heeft gesplitst in tuinbouwpercelen. Op elk perceel werd een woonhuis gebouwd, waarna het tuinbouwbedrijf in pacht werd uitgegeven. Deze zogenaamde nieuwe tuinen werden in het laatste kwart van de 18e eeuw gerealiseerd en kunnen daarom aangemerkt worden als de eerste planmatige ontwikkeling van de tuinbouw.
|
|
Aan het eind van de 18e en aan het begin van de 19e eeuw raken de meeste buitenplaatsen in verval. Na de komst van de Fransen in 1795 en het uitroepen van de Bataafse Republiek worden de adellijke privileges afgeschaft. Dit betekent voor veel eigenaren van buitenplaatsen een verslechtering van hun inkomen. Dit in combinatie met de economisch slechte situatie, gevolg van de bestuurlijke omwenteling en de daarmee gepaard gaande oorlogstoestand, zorgt ervoor dat nogal wat rijke families krap bij kas komen te zitten. De buitenplaatsen kunnen niet meer onderhouden worden, waarna het verval snel toeslaat. Als de bezitters niet meer aan hun financiële verplichtingen kunnen voldoen, worden de huizen en grond verkocht. In het Westland worden de meeste landerijen opgedeeld in kleine percelen en verkocht als tuinbouwgrond.
|
|