|
|
|
De provincie Brabant kenmerkt zich door een uitgebreide muziek cultuur, maar er is weinig behoefte om zich te profileren in een zogenaamd volkslied.
Er zijn wel pogingen ondernemen in het verleden, vooral tussen de de twee wereldoorlogen.
Deze liederen kenmerken zich nogal door een aangedikte katholieke inhoud, die gepaard gaat met een corporatistische opvatting over hoe de samenleving in elkaar zou steken.
De teksten probeer ik hierbij als illustratie weer te geven over verschillende perioden. Er is vrij weinig over bekend.
Gun me even te tijd om het een en ander uit te zoeken.
|
|
Kempenland
Kempenland, aan de Dietse kroon, wonderfrisse perel;
Kempenland, welig zoete woon, van de koene kerel.
Op de heide gloort de zon, ons zo stralend tegen,
of uit frisse hemelbron ruist zo vro de regen;
Op de heide waait de wind, vrij van haag en heg.
Op de heide waait de wind, alle zorgen weg.
Op de heide staat een huis, rondom in het lover .
Wolken blank of grauw als gruis trekken traag daarover.
Op de heide zoete meid, hebt ge mij verkoren.
Bij de gagel voor altijd, mij uw trouw gezworen.
Kempisch volk, zo vroom en blij, schoon van ziel en lijve.
Harde tijden gaan voorbij, maar een volk moet blijven.
|
|
Oude glorie vlecht een krans nog,
edel Brabant U ter eer
In de lucht daar hangt de geur nog,
van Uw grootheid van weleer.
Hier Uw zonen Brabant zie,
felle kerels were di
Hier Uw zonen Brabant zie,
Door de wekroep were di.
Vreemde heren wilden Brabant,
dwingen met hun sterke hand
Maar wij gaan ons eigen wegen,
Trouw aan God en Vaderland.
Refrein
Houdt Uw roem en houdt Uw ere,
Houdt Uw vrijheid, houdt Uw moed
Brabant fier het hoofd omhoge
en vooruit vol Christengloed.
Refrein
|
|
"Waar de luchten wijder worden
Het waterland in bos vergaat
En de schone paarse heide
Eenzaam stil te bloeien staat
Waar de dennen vrolijk joelen
't zonlicht fel door d'akkers fluit
Daar is mijn Brabant, lief vaderland.
Waar een volk van stoere eenvoud
Trouw aan God en trouw aan 't land
Vreemzaam voor een scham'le bete
Wroet en werkt in het schrale zand
Waar een plicht vreugd bleef behouden
Lach en luim de kroon nog spant:
Daar is mijn Brabant, lief vaderland".
Waar naast ranke torenspitsen
Zwarte schouwen, roet belaan
Als twee tekenen van vrede
Hoog aan donk're luchten staan
Waar in soberheid en arbeid
Alle standen samengaan
Daar is mijn Brabant, lief vaderland".
|
|
Toen den Hertog Jan kwam varen
Te peerd parmant al triumfant.
Na zevenhonderd jaren,
Hoe zong men t'allen kant:
Harba lorifa, zong de Hertog,
Harba lorifa.
Na zevenhonderd jaren
In dit edel Brabants land.
Hij kwam van over 't water
Den Scheldevloed, aan wal te voet,
t'Antwerpen op de straten
Zilver veren op zijn hoed
Harba lorifa, zong den Hertog,
Harba lorifa.
t'Antwerpen op de straten,
Lere leerzen aan zijn voet.
Och, Turnhout, stedeke schone,
Zijn uw ruitjes groen, maar uw hertjes koen,
Laat den Hertog binnenkomen
In dit zomers vrolijk seizoen.
Harba lorifa, zong den Hertog,
Harba lorifa,
Laat den Hertog binnenkomen,
Hij heeft een peerd van doen.
Hij heeft een peerd gekregen
Een schoon wit peerd, een schimmelpeerd,
Daar is hij opgestegen,
Dien ridder onverveerd.
Harba lorifa, zong den hertog,
Harba lorifa,
Daar is hij opgestegen
En hij reed naar Valkensweerd.
In Valkensweerd daar zaten,
Al in de kast, de zilverkast,
De guldekoning zijn platen,
Die wierden aaneengelast.
Harba lorifa, zong den Hertog,
Harba lorifa,
De guldekoning zijn platen,
Toen had hij een harnas.
Rooise boeren, komt naar buiten,
Met de grote trom, met de kleine trom,
Trompetten en cornetten en de fluiten
In dit Brabants hertogdom.
Harba lorifa, zong den Hertog,
Harba lorifa,
Trompetten en cornetten
ende fluiten in dit Brabants hertogdom.
Wij reden allemaal samen,
Op Oirschot aan, door een kanidasselaan,
En Jan riep: 'In Gods name!
Hier heb ik meer gestaan.'
Harba lorifa, zong den Hertog,
Harba lorifa
En Jan riep 'In Gods name!
Reikt mij mijn standaard aan.'
De standaard was de gouwe:
die waaide dan, die draaide da,
die droeg de leeuw mee klauwen;
wij zongen alleman:
Harba lorifa, zong den Hertog,
Harba lorifa
Die droeg de leeuw mee klauwen,
ja, de leeuw van Hertog Jan.
Gegevens over dit lied:
Harrie Franken +
Floris v.d. Putt componeerde dit lied op tekst van Harrie Beex. Beiden waren pastoor en actieve leden van Brabants Heem. Het lied werd, voor zover ik heb kunnen nagaan, voor het eerst gepubliceerd in 1947. De Stichting Brabantia Nostra nam het initiatief tot de uitgave bij gelegenheid van haar jaarlijks congres in de Abdij van Berne te Heeswijk.
Hertog Jan werd geboren in 1253 en was hertog van Brabant van 1267 tot 1294. Naast hertog was hij ook dichter. Er zijn 9 minnedichten van hem bekend. Uit één van zijn gedichten, een danslied, stamt de tekst 'Harba lori fa'.
Het bewuste gedicht:
Eens meien morgens vroege
Was ic upghestaan;
In een scoen boemgerdekine
Soudic spelen gaen.
Daar vant ic drie joncfrouwen staen,
Si waren so wale ghedaen,
Dene sanc voor, dander sanc na:
Harba lorifa, harba harba lorifa,
harba lorifa!
Doe ic versach dat scone cruut
In den boemgardekijn,
Ende ic verhoorde dat suete gheluut
Van den magheden fijn,
Doe verblide dat herte mijn,
Dat ic moeste singhen na:
Harba lorifa, harba harba lorifa,
Harba lorifa!
Doe groette ic die alrescoenste
die daer onder stont.
Ic liet mine arme al omme gaen
Doe ter selver stont;
Ic woudese cussen an haren mont;
Si sprac: "Laet staen, laet staen, laet staen".
Harba lorifa, harba harba lorifa,
Harba lorifa!
|
|